Toen ik net begon te drummen, reageerde mijn vader nogal verbaasd. "Drummen?" sprak hij toen met gefronste wenkbrauwen, "maar een drummer houdt zich toch altijd een beetje op de achtergrond en is eigenlijk het minst belangrijk van een band?" Waarop ik natuurlijk hevig verontwaardigd reageerde met iets als "Tsss, hoe kom je daar nou bij?!?". "Ja, ik heb bij een band altijd zoiets van, jij kan zingen dus jij gaat zingen, jij kan gitaar spelen dus hier heb je een gitaar oh dan hebben we hier nog iemand voor de basgitaar en nog een toetsenist en oh... jij bent er ook nog? Nou pak jij dan maar een trommel...".Gedeeltelijk had hij gelijk, maar dan alleen het gedeelte van "maar een drummer houdt zich toch altijd een beetje op de achtergrond...". Voor de rest van zijn opmerkingen twijfelde ik aan zijn muzikale kennis of zijn ideeën daarover. Of zat hij me weer eens in de maling te nemen?
Het maakt niet uit, ik kwam namelijk in Slagwerkkrant 147 van september-oktober 2008 een column tegen die ik niemand en in het bijzonder mijn vader, niet wil onthouden. De volgende column werd geschreven door de trommelende tekstschrijver Maarten Hartog...
De baas
Wie is het hoofd van Nederland. De premier? Fout. Hij staat in de schijnwerpers, maar de Tweede Kamer is de baas. En wie is de baas van een orkest? De dirigent, de zanger, de gitarist? Mochten ze willen, de eigenlijke baas is de drummer. En dat is wetenschappelijk aan te tonen.
Spreek met je band een lied af van, zeg, vier coupletten. En weet je wat: spreek af dat het vierde couplet de gitaarsolo is. Maar vertraag aan het einde van couplet nummer drie onmiskenbaar en sluit dat couplet af met een fraaie finalefill. En meld dan vriendelijk: "Ach, ik vond de gitaarsolo bij nader inzien niet zo nodig."
Spectaculairder is het zogeheten Avondvierdaagseexperiment. Stel je verdekt op langs de feestelijke intocht, met een diepe tom. Als nu het fanfarekorps bijna is voorbijgetrokken, geef je twee maal stevige klappen, op de één en de drie. Vier tellen later staat het orkest stil, wat je priecies voldoende tijd geeft om hard de andere kant op te rennen, voordat de tambour-maître je ontdekt. Want wetenschappelijk onderzoek is niet altijd collegiaal, maar het resultaat is eenduidig: de drummer is de baas.
Nu is het fijn om je de leider te weten, maar onze positie brengt ook een grote verantwoordelijkheid met zich mee.
We speelden een popsong waarin we het refrein acht keer moesten herhalen. De modulatie daarna zou ik inleiden met een aanzwellende tombreak. De lampen brandden fel, de zaal was goed gevuld, het podiumgeluid een ramp en ik nog niet helemaal thuis in het liedje. We zaten op herhaling vijf, toch? De gitarist zwaaide de hals van zijn Fender. Ik grijnsde dankbaar terug (was het tóch zeven) en sloeg de overgang in. Maar hij verbleekte, zeker toen de rest van de band gedwee de nieuwe toonsoort inzette.
Weer wat geleerd: zelf blijven tellen. Want wij slagwerkers zijn de spelverdeler. Trommels zijn niet voor niets van oorsprong seininstrumenten, de drummer geeft het signaal voor noodzakelijke veranderingen. Maar wij zijn ruimhartig genoeg om anderen de eer te laten. De dirigent neemt het applaus in ontvangst, de zanger en de gitarist staan vooraan. Zij mogen de baas spélen.
Laat deze column van Maarten Hartog een duidelijk beeld schetsen en pa, knoop het in je oren ;-)
Bron: Slagwerkkrant nummer 147, september-oktober 2008
Columnist: Maarten Hartog






